![]() Home |
![]() Personen |
![]() Schepen |
![]() Overzichten |
![]() Bronnen |
![]() Woordenboek |
![]() Maten |
| Het schip |
| Prins Willem I (1883) |
| Meer informatie over dit schip |
| Allen gered. Van de Prins Willem I, in 't Kanaal gezonken, kan nog worden vermeld, dat nagenoeg de geheele bemanning bestond uit 36 koppen plus 5 passagiers. Thans zijn allen gered, daar de tweede nog vermiste boot met 13 man behouden is aan gekomen. Het stoomschip, gezagvoerder H.N. Prins, had een inhoud van 1230 ton, was gebouwd op de fabriek Van der Made en kwam in 1883 in de vaart. Het is verzekerd voor 3 ton, waarvan ƒ 25.000 voor eigen risico, het verdere deels in Engeland, deels te Rotterdam. De aan boord aanwezige postzendingen van Paramaribo aan het postkantoor Amsterdam zijn, hoewel doornat, gered kunnen worden. De Gooi- en Eemlander, 28-12-1889 De Schipbreuk van het ss. "Prins WillemI". (Door een ooggetuige verhaald.) Wij gingen van Le Havre den 19 December des avonds te 8 uren, met schoon weder, en stoomden ongeveer 5 uren door, dus tot 1 uur in den nacht, (een buitengewoon donkeren nacht) toen wij plotseling een geweldigen schok gevoelden. In een oogenblik was de gezagvoerder, kapitein H.N. Prins, op de brug, om te weten wat er gaande was en zijne bevelen te geven, welke wij allen stipt opvolgden. Wij waren aangevaren door een ons toen onbekend Engelsch schip, dat geen lichten op had en, naar thans gemeld wordt, zeer waarschijnlijk het stalen barkschip Cloncaird is geweest. Op het oogenblik van de aanvaring waren de 1e en 2e officier aan dek. Het eerste commando was dat wij allen naar het ruim moesten om het lek te stoppen; doch niettegenstaande wij ons ter dege inspanden, mochten wij hierin niet slagen. In den tijd van een oogenblik was de machine in volle werking aan het pompen. Toen de kapitein zag dat er niets aan te doen was, kregen wij bevel om de sloepen buiten boord te zetten, alhoewel er een van de 4 door de aanvaring buiten dienst was gesteld. De eerste die wij buiten boord zetten kreeg een lek door het slingeren, zoodat er nog maar twee: de kleine en de groote sloep, overbleven. Wij allen stapten in de sloepen. De kapitein nam het bevel in de groote sloep, die bevracht was met 28 manschappen, terwijl de kleine boot, met 13 manschappen - waaronder uw verslaggever - onder het bevel van den officier Klein kwam. Alles ging met evenveel kalmte. De wind kwam intusschen opzetten. Het was een bange nacht, waarin de zeeën al hooger en hooger kwamen en ons kleine bootje telkens met omslaan bedreigden. Wij hadden de andere boot al uit het gezicht verloren. Des morgens zagen wij het prachtige vaartuig in de diepte wegzinken. Niet lang duurde het of wij zagen een schip aankomen; doch hoe wij ook allen ons best deden om de aandacht van het vaartuig tot ons te trekken, het scheen ons niet te zien en zeilde voorbij. Na nog een bang uur doorgebraoht te hebben zagen wij een driemastschoener aankomen; maar deze zeilde ook voorbij. Wij begonnen toen te vreezen dat wij verloren waren, want al heviger en heviger werd de zee. Maar neen: de schoener kwam terug; zij had thans haar vlag (de Deensche) in top, tot teeken dat zij ons gezien had, en kwam recht op ons af. De eerste bootsman riep: "Wij zijn gered!" en een innig gevoel van dankbaarheid doortintelde ons allen. De Deen deed moeite en arbeidde krachtig aan de omwerking van zijn zeilen, maar kon door de hooge zee niet tot ons komen. Wij zagen soms niets dan zijn vlag boven de golven uitsteken en deze vlag zou onze redding worden. Door haar toch werd de aandacht van een visschersvaartuig eerst op het Deensche schip en door dit op ons, dobberende schipbreukeling, gevestigd. Het was de visscherschuit La ville d'Amiens, van Le Tréport. De kapitein van het Deensche schip klom zelf in het want om den visscherman door het zwaaien met den arm te beduiden, dat hij ons op zij moest trachten te komen, wat voor zijn klein vaartuig gemakkelijker viel dan voor het zooveel grootere van den Deen. Zoodoende draaide de visscherman bij, totdat hij dicht genoeg nabij was om een touw uit te werpen. Op dit oogenblik echter kwam een hooge zee, die ons omsloeg, waardoor wij alle 18 in de golven kwamen en ons verloren waanden. Vreeselijk was dit oogenblik. De visscherlui gooiden vlug touwen uit en staken toe wat bij de hand lag, van welke reddingsmiddelen ieder zijn best deed iets machtig te worden. Tien man kwamen op deze wijs, na vreeselijk worstelen met de golven, aan dek van den visscherman. Terstond misten wij er drie, maar neen: de visscher haalde nog een tros in, waar de matroos Klaas Edelenbosch, die het touw om zijn been had vastgebonden, aan bevestigd was. Helaas, hij was reeds bezweken. Toen misten wij nog twee der onzen: Joost Engelachor, 2e kok, en de sergeantschrijver van de marine J.F.C. Riep. Wij, geredden, kwamen spoedig: een beetje bij door de goede verzorging van de visscherlui, wier uitstekende behandeling wij nooit genoeg kunnen roemen. Te Le Tréport te 8½ uur des avonds aangekomen - wij hadden dus van drie uur in den nacht tot op dat uur op de zee gezwalkt - werd door de bevolking al het mogelijke gedaan om ons van dienst te zijn en ons huisvesting en verzorging te verleenen. Het lijk van Edelenbosch werd onder groote belangstelling van de dorpelingen ter aarde besteld. Wat was echter het lot geworden van de andere sloep. De opvarenden waren, zooals wij later vernamen en zooals reeds door u is medegedeeld, na lang worstelen met de zee ook door een visschervaartuig, de St. Claire, mede van Le Tréport, te Boulogne aan wal gezet. Ook zij hebben veel van de koude en de zee te lijden gehad, maar waren niet minder dan wij dankbaar voor de gelukkige redding en vol lof voor hen, welke deze bewerkstelligd hadden. Daarvan moet ook een groot deel worden toegebracht aan de flinkheid van de geheele equipage met den kloeken gezagvoerder aan het hoofd. Behalve ƒ 30,000 aan goud-specie en het grootste gedeelte van de mail kon niets worden gered. Het nieuws van den Dag, 28-12-1889 |