Home
Home

Zoek een persoon
Personen

Zoek een schip
Schepen

Overzichten

Bronnen
Woordenboek
Woordenboek


Maten

Retour
Het schip
Twee Gebroeders (1871)
 
Meer informatie over dit schip
Scheepsverklaring.
In de nabijheid van Songvaer op den 6e maart 1894 op reis van Harlingen naar Christiansand in ballast. Deze verklaring is gegeven tegenover de Vice Consul van Nederland te Christiansand, de heer N. Rosenkilde.
Als eerste getuige verscheen Arie van der Heide afkomstig uit Harlingen, oud 19 jaar, matroos aan boord van het genoemde schip en hij vertelde hoe hij met genoemd schip de haven van Harlingen verliet.
Op zaterdag 3 maart des morgens om zes uur vertrokken en tegen de middag waren we op de Noordzee. Het was goed weer met een Z.W. wind. De koers was N.N.O. richting Noorwegen, het schip was dicht en sterk.
Op maandag 5 maart draaide de wind naar het noordwesten en de windkracht werd sterker. De beide bramzeilen, twee kluivers en het brikzeil werden gereefd, het grootzeil en de kleinzeilen werden vastgemaakt. Dit gebeurde voor de nacht, wij gingen dus verder met alleen de marszeilen plus enkele snijzeilen.
Om ongeveer zeven uur in de avond, het vuurtorenlicht van Hanstholm, op de hoek van het Skagerrak. Wij hadden het licht toen al achter ons en waren dit dus dwars gepasseerd. Ik riep de kapitein en de stuurman aan dek opdat zij zich ook met mij konden overtuigen van hetgeen ik zag. Op dat ogenblik was ik alleen aan dek en het was dus mijn plicht het hun mede te delen.
Het weer werd er niet beter op, zo nu en dan kwamen er sneeuwbuien opzetten. Tijdens deze buien was het licht niet te zien. Het is een draailicht gelijk aan de Brandaris op Terschelling. Mijn oordeel was, dat het nodig was bij te draaien en het morgenlicht af te wachten en niet voor de wind te gaan. Maar de kapitein wou verder door gaan en daartegen had ik als matroos zijnde niets in te brengen. Wij gingen dus verder om zo te zeggen ons ongeluk tegemoet, want het schip ging recht op de Noorse kust af. Wij hadden de volgende dag gemakkelijk in Christiansand kunnen zijn of kunnen komen.
Het was al laat in de avond toen wij onder lijzijde een licht zagen, het kwam niet vlug naderbij. Maar Houwink zag het toch aan voor een vaartuig, maar in werkelijkheid is het toch een vuurtorentje geweest waarbij wij later zouden stranden, Songvaer geheten. Ondertussen staken de donkere klippen al af in de donkere nacht, iedereen was toen in de weer. Kapitein Houwink en 1e stuurman Hendrik Wietsma uit Harlingen zagen toen wel in dat ze niet verstandig hadden gehandeld. Er werd beraadslaagd, het schip lag toen al bij de wind gedraaid, om het schip over de andere boeg te draaien, het lag toen over bakboord. Maar zij dachten dat het misschien over stuurboord beter uit de kust zou liggen en dus probeerden zij om over stuurboord te draaien. Maar dat gaat bij klein zeil en bij hol water niet, dan zit er geen vaart in het schip. Zij moest dus voor de wind rond, de kapitein nam het roer over en voorts ging ieder op zijn bestemde plaats. De beide jongens achterop bij de brassen, bij mij Lieman naar voren bij de grote brassen, want deze voeren we voor bij het fokkewant. Nu op deze manier maakt het schip een grote cirkel door het water.
Wij waren nog niet voor de helft rond toen het schip tegen de grote rots liep en daardoor de voor-maststeng afbrak. Het schip werd onder water zwaar beschadigd. daardoor begon het voorste gedeelte spoedig te zinken, terwijl het achterschip door de wind gedreven tegen de klip met zulk een klap dat daardoor onze grote mast bij het dek afbrak en naar de klip viel. Dit bracht echter zulk een beroering teweeg dat de een naar de andere niet luisterde en elk deed maar wat hem het beste toe scheen. Ik hoorde de stuurman roepen om de boot los te maken, even later: "Arie, Arie, waar ben je, ik heb mijn wanten al weggegooid". Iets waar ik mij steeds over heb verwonderd, want hij was een man, nooit verlegen en steeds bij de pinken, in elk geval vooraan. Maar toen de mast afgebroken was en op de klip terecht kwam, bood het de gelegenheid om daarover misschien op de klip te komen. Het leek mij verstandig om dat te proberen. De grote mast lag niet ver buiten de reling, dat met een flinke sprong kreeg ik houvast aan de grote marssteng en een afgebroken ra. Ik had amper houvast of er sprong iemand op mijn rug, dit bleek onze kok te zijn. Onze matroos Wiegman was tegelijkertijd achter het fokkewant langs ook over boord gesprongen en was in het grote ondermarszeil dat al in het water lag terecht gekomen. Even later kwamen er nog twee langs dezelfde weg als wij, dit waren Klaas Ree en Wietse Nielsen, weesjongen.
Eerst was er weinig boven de klip, maar even verder werd het hoe langer hoe hoger totdat zij eindelijk ver boven het water uit stak. Inmiddels was ons schip uit elkaar geslagen en gezonken. De kajuit was er afgeslagen, zodat wij later nog een hoeveelheid scheepsbeschuit konden opvissen.
Toen het dag werd en wij om ons heen zagen, merkten wij dat het schip door voor de wind te draaien, tussen twee klippen was rondgedraaid. Dat als wij op deze klippen waren gestoten geen van ons was gered, want deze klippen waren niet hoog genoeg om er op te verkeren. Wij hebben God op onze knieën bedankt voor deze wonderbare redding. Wij waren anders ongetwijfeld allen omgekomen.
Later op de dag vonden wij niet ver van ons vandaan stuurman Hendrik Wietsma met twee gaten in het hoofd aan de achterkant van een grote steen. Geen van ons allen had een mes bij zich, zodat het grote knipmes van onze stuurman ons goed te stade kwam. Dat had hij nog in zijn zak. Een lange plank los geslagen van het schip met een tafelkleedje uit de kajuit gespoeld, brachten wij met elkaar naar boven op de klip. Bonden er toen het tafelkleedje aan en maakten er zo een noodvlag van, want in de verte op een andere klip konden wij het vuurtorentje zien dat ons had misleid. Water was er genoeg boven, in een kuil met regenwater. Zo liepen wij wat rond doornat, hoewel oliegoed en laarzen aan. Onze weesjongen had zijn voet bezeerd en kon niet best lopen. Tegen de middag, ja daar zagen wij iets aankomen. Wij zwaaiden allen met onze zuidwesters maar zij kwamen al op ons af. Het was een kleine jol, met twee mensen er in. Het waren de vuurtorenwachter en zijn zoontje van ongeveer 12 jaar. De man woonde daar op die klip met zijn gezin en had onze noodvlag gezien. Nadat wij hem onze stuurman hadden getoond wist hij alles wat er was gebeurd. Het bootje lag aan de lijkant van de rots. Spoedig had hij ons in zijn bootje, afgeladen met zeven mensen er in, op weg naar zijn huis. In het huis brandde de kachel en wij kwamen van lieverlede wat op ons gemak. Ik kon het best van allen een woordje Zweeds om ons ongeval tegenover onze redder te verklaren zo goed als dat ging. Ik had al menig reisje met de 'Twee Gebroeders' gemaakt en had zo wel een beetje Zweeds opgepikt. Zijn vrouw gaf ons al gauw warme koffie en later warm eten. Zo knapten wij aardig op. Oliegoed kon uit en droogden onze kleren bij de kachel. Zo hadden wij drie uren bij hem gezeten maar de nacht door kon hij ons niet bergen. Op een flinke afstand van onze klip was weer een andere, hier was een verblijfplaats van loodsen. Loodswezen was vrij in Noorwegen, onze redder bracht ons daarheen met zijn bootje. Die loodsen hadden daar gelegenheid te slapen en wij kregen onderdak van hen. Onze redder keerde met zijn jongen terug. Elke dag kwam daar langs, het station heette Gamle Hellesund, een stoombootje. Dit voer tussen al die klippen door van het ene naar het andere station zo naar Christiansand. Wij waren dus gestrand niet ver van onze eigenlijke bestemming. Toen wij met het stoombootje daar aan kwamen stond de klerk van de consul op ons te wachten, om ons onder te brengen in een hotel. Wij kregen elk een nieuwe donkerblauwe broek en een donkerder jekker en een pet, onze laarzen waren nog goed te gebruiken. Alleen onze weesjongen kreeg een paar ruime nieuwe schoenen, zijn tenen waren bezeerd.

Oud Harlingen, jrg 2008
Auteur: Beerend Wietsma